welke metselbij

Een drietal soorten Metselbijen kunnen vrij algemeen voorkomen aan jouw bijennestkastje.

Het gaat hier om de Gehoornde metselbij, de Rosse metselbij en de Blauwe metselbij.

 

Gehoornde metselbij (Osmia cornuta, Latreille, 1809)

 

Vliegtijd: van eind februari tot half mei

Grootte: mannetjes: 11-13 mm, vrouwtjes 12-15 mm.

Herkenning:

 

♂ + ♀: Zwarte beharing op borststuk en kop. Dieprosse beharing op ALLE achterlijfssegmenten!

♂: witte haren op de kop, kleiner dan vrouwtjes, geen rosse beharing op buik, geen hoorntjes op voorkant kop.

♀: zwarte haren op voorkant kop, groter dan mannetjes, lange rosse beharing op buik, met hoorntjes op voorkant kop.

 

Geeft een iets ‘lompere’ indruk dan Rosse metselbij (Osmia rufa).

 

Voorkomen: verspreid over geheel Vlaanderen, vermoedelijk vooral in het stedelijk gebied.

Drachtplanten: dit is een sterk polylectische soort die stuifmeel verzamelt van verschillende plantensoorten uit diverse plantenfamilies.

Blauwe metselbij (Osmia caerulescens, Linnaeus, 1758)

 

Vliegtijd: begin april tot eind juli

Grootte: mannetjes: 7-9 mm, vrouwtjes 8-10 mm.

Herkenning:

 

♂ + ♀: lichaam donker metaalkleurig, vrij spaarzaam behaard, met smalle witte haarbandjes op achterlijf.

♂: groene metaalglanskleur, geen lange beharing op de buik, beharing op borststuk is roodbruin

♀:blauwe metaalglanskleur, lange zwarte beharing op de buik, beharing op borststuk is grauwbruin. Met verzamelharen aan de voorkant van de kop, waarin soms stuifmeel hangt.

 

Voorkomen: wijdverspreid voorkomen en vrij algemeen. Deze bij is vooral in het stedelijk gebied aan te treffen en nestelt in bestaande, bovengrondse holtes zoals stengels en in oude kevergangen. Diametervoorkeur van de gangen: 4-5 mm. De scheidingswanden en de afsluitprop worden gemaakt met gekauwd plantenmateriaal.

Drachtplanten: het is een beperkt polylectische soort met een voorkeur voor vlinderbloemigen (Fabaceae, bv. Gewone rolklaver) en lipbloemigen (Lamiaceae, bv. Witte dovenetel).

Boven = mannetje

Onder = vrouwtje

Rosse metselbij (Osmia rufa, Linnaeus, 1758)

 

Vliegtijd: van begin maart tot eind juni

Grootte: mannetjes: 9-11 mm, vrouwtjes 10-12 mm.

Herkenning:

 

♂ + ♀: rosbruine beharing op borststuk en kop. Rosse beharing op de eerste 4 achterlijfssegmenten. Zwarte beharing op laatste twee achterlijfsegmenten.

♂: wit behaard aangezicht en een grauwbruine beharing op het borststuk, kleiner dan vrouwtje, geen rosse beharing op buik, geen hoorntjes op voorkant kop.

♀:rossige beharing op voorkant kop, groter dan mannetjes, lange rosse beharing op buik, met hoorntjes op voorkant kop.

 

Geeft een iets ‘slankere’ indruk dan de Gehoornde metselbij (Osmia cornuta).

 

Voorkomen: verspreid over geheel Vlaanderen, vermoedelijk vooral in het stedelijk gebied.

Nestelt in oude kevergangen van 0,5 tot 1 cm doorsnee. Ook bamboestokken, oude muren of rietstengels worden geaccepteerd.

Drachtplanten: ook deze soort is sterk polylectisch en verzamelt stuifmeel van verschillende plantensoorten uit diverse plantenfamilies.

Bronnen:

 

Peeters et al. 1999. Voorlopige atlas van de Nederlandse bijen.

Westrich, 1990. Die Wildbienen Baden-Württembergs. Spezieller Teil.

 

www.wildebijen.nl (22/02/2011)

www.waarnemingen.be (22/02/2011)

COPYRIGHT © | aculea.be

PRIVACY STATEMENT | TERMS & CONDITIONS